Home » Therapy

Misbruik en verwaarlozing van kinderen en verlies van zelfregulering

Besse!. A. van der Kolk, MD Rita E. Fifler, FA

     Veilige hechtingen met zorgverleners spelen een cruciale rol bij het helpen van kinderen bij het ontwikkelen van een vermogen om fysiologische opwinding te modelleren. Verlies van het vermogen om de intensiteit van gevoelens en impulsen te reguleren is mogelijk het meest vergaande effect van trauma en verwaarlozing. Het is aangetoond dat de meeste misbruikte en verwaarloosde kinderen gedesorganiseerde gehechtheidspatronen ontwikkelen. Het onvermogen om emoties te moduleren geeft aanleiding tot een reeks van gedragingen die het best worden begrepen als pogingen tot zelfregulering. Deze omvatten agressie tegen anderen, zelfdestructief gedrag, eetstoornissen en middelenmisbruik. Het vermogen om interne toestanden te reguleren heeft invloed op zowel zelfdefinitie als iemands houding ten opzichte van de omgeving. Misbruikte kinderen slagen er vaak niet in het vermogen om specifieke en gedifferentieerde emoties te uiten: hun moeilijkheid om

gevoelens onder woorden te brengen, verstoort flexibele responsstrategieën en bevordert acteren. Gewoonlijk bestaan ​​deze gedragingen naast elkaar, wat de diagnose en behandeling verder compliceert. Affectieve ontregeling kan worden opgevangen door veilige hechting, veilige betekenis schema en farmacologische interventies die de voorspelbaarheid van somatische reacties op stress verbeteren. Het vermogen om symbolische voorstellingen van angstaanjagende ervaringen te creëren, bevordert het temmen van terreur en desomatisatie van traumatische herinneringen. (Bulletin van de Merminger-kliniek, 58/2), 14.f-168)
De erkenning dat jeugdtrauma een belangrijke rol speelt in de ontstaan ​​van verschillende psychische stoornissen heeft het onderzoek gestimuleerd de manieren waarop vroege hechtingsstoornissen worden vertaald in combinatie van zelfregulering. In de afgelopen twee decennia zijn er significante vooruitgang geboekt in het begrijpen van de effecten van kindermishandeling en verwaarlozing op biologische (bijv. Lewis, 1992) en cognitieve ontwikkeling (bijv. Ciech.etti & Beeghly, 1937; Fish-Murray, Koby, & van der 1987) en over de ontwikkeling van zelf .e.g., Cole `Putnam, 1992; van der Kolk, Roth, dr Pelcovitz, in druk). Afgezien van een verlies van vertrouwen en een verminderd gevoel van het kunnen positief beïnvloeden van iemands omgeving.

Werking canabis PTSS; verder onderzoek nodig:

conclusies:

Posttraumatische stressstoornis is 1 van de goedgekeurde voorwaarden voor medicinale marihuana in sommige staten. Hoewel de literatuur tot nu toe wijst op een mogelijke afname van PTSS-symptomatologie met het gebruik van medicinale marihuana, is er een opmerkelijk gebrek aan grootschalige proeven, waardoor het moeilijk is om op dit moment definitieve conclusies te trekken.

Cannabidiol bij de behandeling van posttraumatische stressstoornissen: een casuïstiek.

Elms L1, Shannon S2, Hughes S3, Lewis N4.

DOELEN:

Cannabidiol (CBD) is een niet-psychotomimetische cannabinoïde verbinding die voorkomt in planten van het geslacht Cannabis. Preklinisch onderzoek heeft gesuggereerd dat CBD een gunstig effect kan hebben op knaagdiermodellen van posttraumatische stressstoornis (PTSS). Dit effect wordt waarschijnlijk veroorzaakt door de werking van CBD op het endocannabinoïdesysteem. CBD heeft een recente toename in onderzoek gezien naar de potentiële waarde ervan in een aantal neuro-psychiatrische aandoeningen. Dit is de eerste tot nu toe onderzoek naar het klinische voordeel van CBD voor patiënten met PTSS.

Methoden

Deze retrospectieve casusreeks onderzoekt het effect van orale toediening van CBD op symptomen van PTSS in een reeks van 11 volwassen patiënten in een polikliniek voor poliklinieken. CBD werd gegeven aan een open-label, flexibel doseringsregime aan patiënten met een diagnose van PTSS door een beroepsbeoefenaar in de geestelijke gezondheidszorg. Patiënten kregen ook routinematige psychiatrische zorg, inclusief gelijktijdige behandeling met psychiatrische medicijnen en psychotherapie. De lengte van de studie was 8 weken. De ernst van de PTSS-symptomen werd om de 4 weken beoordeeld aan de hand van de door de patiënt voltooide PTSS-checklist voor de DSM-5 (PCL-5) vragenlijsten.

RESULTATEN:

Van de totale steekproef van 11 patiënten ervoer 91% (n = 10) een verlaging van de ernst van de PTSS-symptomen, zoals blijkt uit een lagere PCL-5-score na 8 weken dan bij hun initiële baseline. De gemiddelde totale PCL-5-score daalde met 28%, van een gemiddelde basisscore van 51,82 tot 37,14, na acht opeenvolgende weken van behandeling met CBD. CBD werd over het algemeen goed verdragen en geen van de patiënten stopte met de behandeling vanwege bijwerkingen.

Conclusies:

Toediening van orale CBD naast de gebruikelijke psychiatrische zorg was geassocieerd met PTSS-symptoomvermindering bij volwassenen met PTSS. CBD bleek ook verlichting te bieden bij een subgroep van patiënten die frequente nachtmerries rapporteerden als een symptoom van hun PTSS. Aanvullend klinisch onderzoek, inclusief dubbelblinde, placebo-gecontroleerde studies, zou nodig zijn om de respons op CBD die werd waargenomen in dit onderzoek verder te onderbouwen.

 
Bron: PubMed
 
Opmerking: N = 11 te klein om significant te zijn
 

Anoniem: Canabis helpt me bij mijn klachten van (C)PTSS

Bekijk resultaten

"Herstel, meer dan EMDR alleen."

Vanuit de medische wetenschap waaruit van oorsprong uit de gedachtegang volgt van de psychiatrie, dus met name het denken in ziekte, kan je een ziekte ook zien als een slechte aanpassing met bepaalde kenmerken. Trauma’s hebben niet alleen een effect op de persoon en dus onze psyche of wel ons functioneren van het brein, maar ook biologisch in met name het verstoord zijn van het endocriene systeem en daarmee ons auto-immuunsysteem met vaak ontstekingen zoals fibromyalgie, reumatische klachten en zelfs – mede door gewoonten – ook diabetes als gevolg.  Naast psychologische heeft het sociale en maatschappelijke gevolgen zoals vaak relatieproblemen en arbeidsongeschiktheid. Trauma’s en hun problemen focust onze aandacht meer op de impact van sociale problemen en geweld op het opgroeiende kind. Velen zijn wellicht borderline, zoals ook een deskundige als  Bessel van der Kolk in zijn praktijk meemaakt. De problemen zijn vaak complex met veel aanverwante problemen zoals  dissociatieve stoornissen – waaronder DIS  - verslaving, psychosen, persoonlijkheidsproblematiek, depressies, vaak persisterende suicidaliteit en andere. Wat we zien is vaak een gefragmenteerd beleven – denk aan scheiding van beeld en gevoelens bij flash-backs – en soms ook fragmentatie van persoonlijkheid. Trauma’s doen mensen problemen ervaren met het geïntegreerd beleven van zich zelf. Zo

werd borderline met name door de psychodynamiek gezien als een probleem van het integreren van negatieve en positieve affecten ten opzichte van zich zelf en anderen. Hechtingsproblemen wellicht ten grondslag van DIS en borderline kunnen deze splitsing verklaren. We weten eigenlijk niet – omdat longitudinaal onderzoek of wel het volgen van kinderen die getraumatiseerd zijn niet of nauwelijks gebeurd – hoe borderline ontstaat of hoe een kind die zich moet verweren en veelal is opgegroeid zonder steun zich later ontpopt tot een persoon die we labelen als borderline kunnen we achteraf wel verklaren maar helaas niet voorspellen.  Genetische aspecten spelen een rol, maar het is ook hoe omgeving en gedrag zich vertaald tot epigenetische – hoe genen tot expressie komen – mechanismen. Het brein anticipeerd op wat het kent aan ervaringen en dus verwachtingen. De vraag is eerder hoe kunnen we de persoon tot andere ervaringen brengen die de weg inzet tot herstel. Het geheugen is eigenlijk het cement van de persoonlijkheid en de nadruk moet ook liggen op problemen hiermee hetzij een diffuse persoonlijkheid cq identiteit en ook dus bij DIS een dissociatieve identiteit compleet met het lijden aan het innerlijk verdeeld / tegenstrijdig te zijn.  Daarom is verwerken meer dan EMDR alleen het is complexer, daarom moet complexe PTSS met alle aspecten ook opgenomen in het DSM.

"Men moet er maar eens aan geloven..."

Jaarlijks worden volgens huidige schattingen  ruim 118.000 kinderen mishandeld en of misbruikt. Dat is na 10 jaar meer dan een miljoen slachtoffers. Het percentage van alle GGZ-cliënten met een achtergrond van kindermishandeling is 50%-70%. Dat is een gigantisch aantal. Maar met deze gegevens wordt niet de noodzaak ingezien de hulpverlening voor deze groep te verbeteren. Toch bemerk ik dat het bespreken van kindermishandeling en de mogelijke gevolgen amper een leerstof is in opleidingen van verpleegkundigen, psychiaters en psychologen. Er is op Universiteiten ook geen leerstoel hiervoor. Ook methoden zoals de gestructureerde interview wordt nog nauwelijks of mondjesmaat toegepast. Men vermijd liever het onderwerp. Of men is bang de cliënt te veel te verontrusten of men weet er niet mee om te gaan. Seksueel misbruik is een thema wat met golven in de aandacht komt om daarna weer in de vergetelheid te verdwijnen.  Smerige geheimpjes kun je alleen maar bestrijden of oplossen met openheid. Dat betekend dat de GGZ het gewoon moet vinden er rechtstreeks naar te vragen. Slachtoffers verwachten dat men er naar vraagt. Ook heerst er nog de gedachte dat slachtoffers veelal zullen afhaken in therapie als men het onderwerp wil behandelen. Dit in tegenstelling tot de praktijk, waarin blijkt dat er weinig drop-out is. Maar goede ervaringen moeten langzaamaan doordringen in het bos van de GGZ.  Wat nodig is dat bij verslaglegging van de problemen, naast diagnosestelling ook een goede indruk moet worden verkregen van de duur, aard en tijd van de ervaren trauma's. Als richtlijn kun je wel bedenken, dat perioden in de levensgeschiedenis van de cliënt waar men het minst van herinnert, wellicht het meest gebeurd moet zijn. Belangrijk is na te gaan hoe de cliënt zich psychisch moest verweren en welke copingstijlen en welke repeterende cognities het heeft ontwikkelend in samenhang met de trauma's en waar het gevoelsmatig

toen steun aan vond. Daarbij in het oog houdend, dat afbouwen van slechts coping kan leiden tot verlies daadkracht of veerkracht als we slechts gedrag aanpassen en geen mogelijkheden tot verwerking en aanpassing van gezondere coping. Toch zijn bij met name trauma's de omgevingsfactoren belangrijker dan een genetische aanleg. Het wordt tijd dat de GGZ hierin zijn verantwoordelijk inziet en beseft dat vermijden van de problemen, door angst, schrikreacties, ontzetting, dus vermijding slechts bestendiging van de problemen geeft en dus chronisch worden in de hand werkt.

Tekening: Margje

Maar ook niet behandelen kan uiteindelijk leiden tot een suïcidepoging die wel lukt. Maar de praktijk laat zien dat slachtoffers ook over veel veerkracht beschikken. Hulpverlening moet open zijn en ruimte bieden aan het verwerken van emoties die slachtoffers veelal ook vermijden en geleerd hebben te moeten vergeten, soms omdat misbruik door instanties is gebeurd of georganiseerd. Maar vermijden, dissociëren, vergeten zijn geen goede copingstijlen. Dat men haast geen verslag maakt van de levensgeschiedenis komt deels door het gedachtegoed dat een ziekte of stoornis op zich zelf staat en slechts getriggert wordt. We leven nu in een tijd dat men er van uit gaat dat het vaak om een genetische predispositie moet gaan, m.a.w. een gevoeligheid wat al bepaald is. Ik heb vaak ervaren dat hulpverleners bij het toehoren ook hun emoties vermijden en er vaak geen raad mee weten. Nog erger is het wanneer ze slachtoffers zielig gaan vinden of medelijden met hun hebben en dus hopeloos vinden of chronisch. 

Waarom in de GGZ de mensen met de grootste problemen het minst worden geholpen

Bron: StrakXi