Home » Research

TTIP (Treating Trauma in Psychosis) onderzoek

 

Een paar jaar geleden was er in Nederland een grote RCT of wel random controlled trial in het behandelen van trauma's bij psychose gerelateerde problemen. Onder leiding van de professors Mark van de Gaaf,  Dr. Agnes van Minnerof en Dr. Ad de Jong. Uit dit onderzoek kwam naar voren dat de drop-out laag was, cliënten geen acting out vertoonden, men geen suïcidegedachten ontwikkelde, de klachten niet verergerden en geen sprake van ontwikkeling van crisis. Het is een single-blind onderzoek, omdat de patiënt weet in welke groep hij/zij valt. Nederland is daarin zeker uniek wat het soort onderzoek betreft. Aan het onderzoek werkten de volgende GGZ-instellingen mee:

 

- ABC Altrecht
- Bavo-Europoort
- GGNet
- Yulius

- GGZ Drenthe
- GGZ Eindhoven
- GGZ Noord-Holland
- GGZ Duin en Bollenstreek

- Arkin-Mentum
- Parnassia
- Pro Persona
- GGZ Oost-Branbant

Mark van de Gaaf

Agnes van Minnerof

Ad de Jongh

Beschouwing op het onderzoek:

- de opzet van inventarisatie van de ervaren trauma's laat zich niet gauw samenvatten in een snelle schriftelijke anamnese gedaan door een leerling of trainee. Velen hebben jaren moeten leven met moeten vergeten en sommigen hebben zoveel meegemaakt dat het onmogelijk is om dit in slechts 40 minuten is samen te vatten. 8 EMDR behandelingen kunnen nooit de gevolgen van complexe PTSS dus chronische traumatisering gedurende de jeugd behandelen. Het onderzoek gaat puur uit van symptomen en dus PTSS klachten. Het is niet meer dan een goede opzet en behoeft zeker uitbreiding naar een volledige en vaak langer durende klinische behandeling van klachten die samenhangen met de ontwikkeling van een kind naar volwassenheid binnen de context van mishandeling en misbruik. Het goede is wel, dat er een besef begint door te dringen dat ook zij met psychotische gevoeligheid baat hebben bij behandeling. Het zou eigenlijk de deur moet openen naar het besef, dat ook psychotherapie veilig is.

- het ontwikkeld hebben van een slachtofferrol
- verwarring over de seksuele oriëntatie
- problemen met identiteit/daderidentificatie/geloven in het lot.
- dissociatieve problemen
- depressieve klachten
- middelen gebruik
- geheugenproblemen
- leer en werkproblemen

Op de homepage staan de gevolgen die mogelijk samenhangen met opgroeien met chronische traumatisering en hoe kinderen die copen gelet op de context waarbinnen ze moeten overleven in vaak groepsverband dus gezin.

Het gunstige aan dit onderzoek is wellicht meer dat cliënten met psychosen ook baat hebben bij behandeling van trauma's en dat hun chronisch lijkende klachten naar de achtergrond kunnen verdwijnen. Maar helaas ervaren velen met psychotische klachten en dus met een schizo-stoornis een negatief advies voor langdurige psychotherapie, omdat men structureel uitgaat van een biologische oorzaak van de psychosen en dat psychotherapie een cosmetisch effect zal hebben voor de biologische gevoeligheid.

Veranderde metabotrope glutamaatreceptor 5-markers bij PTSS: in vivo en postmortum bewijs

Posttraumatische stressstoornis (PTSS) is een prevalente en zeer invaliderende aandoening, maar er is momenteel geen gerichte farmacologische behandeling voor. Een disfunctie van het glutamaatsysteem is betrokken bij trauma en stress psychopathologie, resulterend in een groeiende interesse in modulatie van het glutamaatsysteem voor de behandeling van PTSS. Specifiek vertegenwoordigt de metabotrope glutamaatreceptor 5 (mGluR5) een veelbelovend behandelingsdoelwit. We gebruikten [18F] FPEB, een radioligand dat bindt aan de mGluR5, en positron emissie tomografie (PET) om de in vivo beschikbaarheid van mGluR5 in menselijke PTSS versus gezonde controle (HCs) te kwantificeren. In een onafhankelijk monster van postmortaal weefsel van de mens, hebben hebben we de expressie onderzocht van

eiwitten die een functionele relatie hebben met mGluR5 en glucocorticoïden bij PTSS. We hebben een significant hogere corticale mGluR5-beschikbaarheid in PTSS in vivo en positieve correlaties tussen de beschikbaarheid van mGluR5 en vermijdingsverschijnselen waargenomen. In het postmortem-monsters, zagen we opwaartse regulatie van SHANK1, een eiwit dat mGluR5 aan het celoppervlak verankert, evenals verminderde expressie van FKBP5, wat een afwijkend glucocorticoïd-functioneren bij PTSS impliceert. De resultaten van dit onderzoek bieden inzicht in moleculaire mechanismen die ten grondslag liggen aan PTSS en suggereren dat mGluR5 een veelbelovend doelwit kan zijn voor op mechanismen gebaseerde behandelingen gericht op het verzachten van deze aandoening.

Nieuw PTSS-onderzoek identificeert mogelijk pad naar behandeling

Een onderzoek naar posttraumatische stressstoornis (PTSS) - uitgevoerd door het VA National Center for PTSD (NCPTSD), National PTSD Brain Bank en Yale University - heeft een nieuw potentieel mechanisme geïdentificeerd dat bijdraagt aan de biologie van de aandoening die mogelijk het doelwit is. door toekomstige behandelingen.

Onder gevechtsveteranen is PTSS een veel voorkomende en invaliderende aandoening die gepaard gaat met een hoog zelfmoordrisico en in sommige gevallen is het moeilijk om effectief te behandelen. Patiënten - burgers met een aanzienlijke geschiedenis van trauma's en veteranen met een geschiedenis van oorlogsgerelateerde of civiele trauma's - worden vaak behandeld met een combinatie van psychologische therapie en medicijnen die gericht zijn op het verlichten van verschillende symptomen, zoals hyper-arousal en depressie.

PET-beelden die wijzen op een hogere mGluR5-receptorbeschikbaarheid bij een persoon met PTSS versus een gezonde vergelijkende deelnemer.

Op dit moment zijn er twee door de FDA goedgekeurde medicijnen voor de behandeling van PTSS-symptomen, maar de beperkte effectiviteit van deze medicijnen resulteert in patiënten die vaak worden behandeld met meerdere medicijnen die niet specifiek zijn goedgekeurd voor PTSS, merken de onderzoekers op.

"We moeten echt onderzoeken wat er gebeurt op moleculair niveau, zodat we beginnen met het ontwikkelen van nieuwe doeltreffende therapieën," zei Sophie Holmes, postdoctoraal onderzoeksassistent bij de afdeling psychiatrie van Yale en hoofdauteur van de studie gepubliceerd in de Proceedings of the US National Academie van wetenschappen.

De studie, geleid door NCPTSD en Yale psycholoog en PET-imager Irina Esterlis, is de eerste die een specifieke wijziging in de signalering van hersenglutamaat bij PTSS impliceert.

Glutamaat is een chemische boodschapper van hersensignalen en veranderingen in glutamaatniveaus in PTSS zijn eerder beschreven. De nieuwe studie meldt dat positron emissie tomografie (PET) scans hogere niveaus van een subtype van glutamaatreceptor in de hersenen, metabotropische glutamaat receptor-5 (mGluR5), laten zien bij patiënten met PTSS. Bij dieren wordt overstimulatie van mGluR5 geassocieerd met angst en stressgerelateerd gedrag; geneesmiddelen die de mGluR5-functie verminderen, kunnen deze symptomen verminderen. Het huidige onderzoek kan dus implicaties hebben voor de behandeling van PTSS, aldus de onderzoekers.

Deze studie gaf ook potentiële inzichten in hoe de toename van mGluR5 zou kunnen ontstaan. Een nieuw en belangrijk kenmerk van deze studie is volgens de onderzoekers dat het als eerste de bevindingen van hersenchemie bij patiënten met PTSS, gemeten via PET-scans, koppelt aan gedetailleerde moleculaire analyses van hersenveranderingen bij PTSS die alleen kunnen worden uitgevoerd in hersenweefsel dat is gedoneerd door veteranen of hun families voor onderzoeksdoeleinden. De analyses, uitgevoerd in het laboratorium van Yale neurowetenschapper Ronald Duman, vonden een aanwijzing op het niveau van genexpressie, of de omzetting van DNA in RNA. Messenger RNA (mRNA) niveaus van mGluR5 waren niet verhoogd, maar de mRNA-niveaus die coderen voor het Shank1-eiwit waren verhoogd. Shank1 "activeert" mGluR5 door ze aan het celoppervlak te koppelen. De PET-scans hebben mogelijk een hogere beschikbaarheid van mGluR5 aan het celoppervlak bij PTSS gedetecteerd.

"Deze studie is een van de eerste voorbeelden die het belang van de nieuwe nationale PTSD-hersenenbank benadrukten om ons in staat te stellen de biologie van PTSS op een dieper niveau te bestuderen. We moeten nog een lange weg afleggen om de complexe neurobiologie van PTSS te begrijpen, maar deze nieuwe onderzoeksbenaderingen zouden een aanzienlijke impact op het veld moeten hebben ", zei Esterlis.

Bron : Yale News

Een nieuwe theorie over wat er echt gebeurt in PTSS-hersenen

Voortbouwend op onderzoek uit het verleden, stellen U-M-wetenschappers een uniforme manier voor om veel van de symptomen en veel van de neurobiologie van PTSS te verklaren.
Militaire dog-tags

Tientallen jaren hebben neurowetenschappers en artsen geprobeerd uit te leggen waarom slechts enkele mensen kwetsbaar zijn voor posttraumatische stressstoornissen en waarom ze zoveel symptomen en zoveel invaliditeit ervaren.

Experts in het veld zijn het er nu over eens dat PTSS inderdaad voortkomt uit zeer reële, fysieke processen in de hersenen - en niet uit een of andere psychologische zwakte.

Maar er is geen duidelijke consensus ontstaan ​​over wat precies die veranderde processen zijn.

In een perspectiefartikel gepubliceerd in Neuron, zeggen een paar hoogleraren van de Universiteit van Michigan Medical School - die jarenlang vele PTSS hebben bestudeerd - dat mensen met PTSS lijken te lijden aan verstoorde contextverwerking. Contextverwerking is een centrale hersenfunctie waarmee mensen en dieren kunnen herkennen dat een bepaalde stimulus afhankelijk van de context verschillende responsen kan vereisen. Het is wat ons in staat stelt om een ​​passende emotionele of fysieke reactie te krijgen op elke ontmoeting die we hebben.

De professoren hopen de interesse in de theorie te stimuleren en anderen in het veld uit te nodigen om het te testen.
Een verhaal van twee leeuwen

Een eenvoudig voorbeeld, schrijven ze, is het herkennen dat een bergleeuw die in een dierentuin wordt gezien, niet dezelfde angst-of-vluchtrespons vereist als wanneer hij onverwachts in het wild wordt tegengekomen.

Voor iemand met PTSS veroorzaakt een stimulus die geassocieerd is met het trauma dat ze eerder hebben ervaren - zoals een hard geluid of een bepaalde geur - een angstreactie, zelfs als de context veilig is. Dat is waarom ze reageren zelfs als het harde geluid van de voordeur kwam die werd dichtgeslagen en geen geweerschot, of de geur komt van het avondeten dat per ongeluk op het vuur wordt verbrand en niet van een vuur.

Contextverwerking omvat de hippocampus van de hersenen en de verbindingen met twee andere regio's, de prefrontale cortex en de amygdala.

Onderzoek heeft aangetoond dat de activiteit in deze hersengebieden verstoord is bij PTSS-patiënten. Het U-M-team gelooft dat hun theorie uitgebreid bewijsmateriaal kan verenigen door te laten zien hoe een verstoring in dit circuit de verwerking van de context kan verstoren en de meeste symptomen en een groot deel van de biologie van PTSS kan verklaren.

"We hopen enige orde te scheppen in alle informatie die is verzameld over PTSS van studies van menselijke patiënten en van diermodellen van de aandoening", zegt Israel Liberzon, MD, hoogleraar psychiatrie aan de UM en een onderzoeker aan de VA Ann Arbor Healthcare System, die ook veteranen behandelt met PTSS.

"We hopen een toetsbare hypothese te creëren, die niet zo gebruikelijk is in onderzoek naar geestelijke gezondheid als zou moeten. Als deze hypothese klopt, kunnen we misschien een deel van de onderliggende pathofysiologische processen ontrafelen en betere behandelingen aanbieden. "

Israel Liberzon, MD hoogleraar psychiatrie die veteranen behandelt met PTSS

"Als deze hypothese bewaarheid wordt, kunnen we misschien een deel van de onderliggende pathofysiologische processen ontrafelen en betere behandelingen aanbieden."
Israel Liberzon, M.D.

Een verenigende theorie van PTSS

Liberzon en zijn collega, James Abelson, M.D., Ph.D., beschrijven modellen van PTSS die de afgelopen jaren naar voren zijn gekomen en leggen het bewijs voor elk. Het probleem, zeggen ze, is dat niet voldoende de verschillende symptomen worden uitgelegd, noch alle complexe neurobiologische veranderingen die worden waargenomen bij patiënten met PTSS en in diermodellen van deze aandoening.

Het eerste model, abnormaal leren van angst, is geworteld in de amygdala - het 'vecht-of-vlucht'-centrum van de hersenen - dat zich richt op reacties op bedreigingen of veilige omgevingen. Dit model is ontstaan ​​uit het werken aan angstconditionering, angstdoving en angst-generalisatie.

De tweede, overdreven detectie van bedreigingen, is geworteld in de hersengebieden die uitzoeken welke signalen uit de omgeving 'saillant' zijn, of belangrijk om op te letten en erop te reageren. Dit model richt zich op waakzaamheid en onevenredige reacties op waargenomen bedreigingen.
De derde, met betrekking tot de uitvoerende functie en regulatie van emoties, is vooral geworteld in de prefrontale cortex - het centrum van de hersenen om emoties onder controle te houden en te plannen of om te schakelen tussen taken.

Door alleen te focussen op het bewijs dat een van deze theorieën ondersteunt, kunnen onderzoekers "zoeken onder de straatlantaarn", zegt Liberzon. "Maar als we alles bekijken in het licht van de verstoring van de contextverwerking, kunnen we uitleggen waarom verschillende teams verschillende dingen hebben gezien. Ze sluiten elkaar niet uit. '

Het belangrijkste, zegt Liberzon, is dat "context niet alleen informatie over je omgeving is, maar ook de juiste emotie en herinneringen oproept voor de context waarin je je bevindt".

Het "onthecht" gevoel

Een tekort in contextverwerking kan ertoe leiden dat mensen met PTSS zich 'onbemind' voelen van de wereld om hen heen, niet in staat om hun antwoorden vorm te geven om in hun huidige context te passen. In plaats daarvan zou hun brein een geïnternaliseerde context opleggen - een die altijd gevaar verwacht - in elke situatie.

Dit type tekort, dat in de hersenen ontstaat door een combinatie van genetica en levenservaringen, kan in de eerste plaats kwetsbaarheid voor PTSS creëren, zeggen ze. Na trauma zou dit symptomen van hypervigilantie, slapeloosheid, opdringerige gedachten en dromen en ongepaste emotionele en fysieke uitbarstingen genereren.

Liberzon en Abelson zeggen dat het testen van de contextverwerkingstheorie het begrip van PTSS zal vergroten, zelfs als alle details ervan niet geverifieerd zijn. Ze hopen dat de PTSS-gemeenschap hen zal helpen bij het nastreven van het nodige onderzoek, bij PTSS-patiënten en in diermodellen. Ze plaatsen specifieke ideeën in de Neuron-paper om dat aan te moedigen en beginnen zelf aan dergelijk onderzoek.

Het U-M / VA-team werven momenteel mensen met PTSS - al dan niet veteranen - voor onderzoeken met hersenafbeeldingen en andere tests. Geïnteresseerden kunnen 734-232-0190 bellen.

In de tussentijd merken ze op dat er een groeiend aantal therapeutische hulpmiddelen is die patiënten met PTSS kunnen helpen, zoals cognitieve gedragstherapie, training op het gebied van mindfulness en farmacologische benaderingen. Deze kunnen helpen door PTSS-patiënten te verankeren in hun huidige omgeving en kunnen effectiever blijken te zijn naarmate onderzoekers leren hoe ze de verwerkingscapaciteiten in de hersenen specifiek kunnen versterken.

Bron: M Health Lab

Note: Het is goed dat er ook modellen zijn die kunnen samenvatten hoe de uitingen neurologisch zijn te verklaren en met welke biologische mechanismen het samenhangt, toch lopen we het gevaar dat behandeling in extreme gevallen al gauw slechts medisch gaat worden en dus dat behandeling slechts medicatie betekend. We moeten altijd in ogenschouw nemen dat medicatie slechts ondersteunend kan werken en dat het ook gaat om met name psychologische aspecten en oorzaken die ten grondslag liggen aan kindermishandeling. Een van de vele problemen van deze mensen zijn relatieproblemen, die vaak de oorzaak hebben in een angstige, onveilige of gedesorganiseerde hechting.

Nieuw PTSS-onderzoek identificeert mogelijk pad naar behandeling

Een onderzoek naar posttraumatische stressstoornis (PTSS), uitgevoerd door het VA National Center for PTSD (NCPTSD), National PTSD Brain Bank en Yale University, heeft een nieuw potentieel mechanisme geïdentificeerd dat bijdraagt ​​aan de biologie van de aandoening die mogelijk is gericht. door toekomstige behandelingen.

Onder gevechtsveteranen is PTSS een veel voorkomende en invaliderende aandoening die gepaard gaat met een hoog zelfmoordrisico en in sommige gevallen is het moeilijk om effectief te behandelen. Patiënten - burgers met een aanzienlijke geschiedenis van trauma's en veteranen met een geschiedenis van oorlogsgerelateerde of civiele trauma's - worden vaak behandeld met een combinatie van psychologische therapie en medicijnen die gericht zijn op het verlichten van verschillende symptomen, zoals hyper-arousal en depressie.

Op dit moment zijn er twee door de FDA goedgekeurde medicijnen voor de behandeling van PTSS-symptomen, maar de beperkte effectiviteit van deze medicijnen resulteert in patiënten die vaak worden behandeld met meerdere medicijnen die niet specifiek zijn goedgekeurd voor PTSS, merken de onderzoekers op.

"We moeten echt onderzoeken wat er gebeurt op moleculair niveau, zodat we beginnen met het ontwikkelen van nieuwe doeltreffende therapieën," zei Sophie Holmes, postdoctoraal onderzoeksassistent bij de afdeling psychiatrie van Yale en hoofdauteur van de studie gepubliceerd in de Proceedings of the US National Academie van wetenschappen.

"Deze studie is een van de eerste voorbeelden die het belang van de nieuwe nationale PTSD-hersenenbank benadrukten om ons in staat te stellen de biologie van PTSS op een dieper niveau te bestuderen.

We hebben nog een lange weg te gaan om de complexe neurobiologie van PTSS te begrijpen, maar deze nieuwe onderzoeksbenaderingen zouden een aanzienlijke impact op het veld moeten hebben, "zei Esterlis.

 

De studie, geleid door NCPTSD en Yale-psychiater Irina Esterlis, is de eerste die een specifieke wijziging in de signalering van hersenglutamaat bij PTSS impliceert. Glutamaat is een chemische boodschapper van hersensignalen en veranderingen in glutamaatniveaus in PTSS zijn eerder beschreven. De nieuwe studie meldt dat positron emissie tomografie (PET) scans hogere niveaus van een subtype van glutamaatreceptor in de hersenen, metabotropische glutamaat receptor-5 (mGluR5), laten zien bij patiënten met PTSS. Bij dieren wordt overstimulatie van mGluR5 geassocieerd met angst en stressgerelateerd gedrag; geneesmiddelen die de mGluR5-functie verminderen, kunnen deze symptomen verminderen. Het huidige onderzoek kan dus implicaties hebben voor de behandeling van PTSS, aldus de onderzoekers.

Deze studie gaf ook potentiële inzichten in hoe de toename van mGluR5 zou kunnen ontstaan. Een nieuw en belangrijk kenmerk van deze studie is volgens de onderzoekers dat het als eerste de bevindingen van hersenchemie bij patiënten met PTSS, gemeten via PET-scans, koppelt aan gedetailleerde moleculaire analyses van hersenveranderingen bij PTSS die alleen kunnen worden uitgevoerd in hersenweefsel dat is gedoneerd door veteranen of hun families voor onderzoeksdoeleinden. De analyses, uitgevoerd in het laboratorium van Yale psychiater Ronald Duman, vonden een aanwijzing op het niveau van genexpressie, of de omzetting van DNA in RNA. Messenger RNA (mRNA) niveaus van mGluR5 waren niet verhoogd, maar de mRNA-niveaus die coderen voor het Shank1-eiwit waren verhoogd. Shank1 "activeert" mGluR5 door ze aan het celoppervlak te koppelen. De PET-scans hebben mogelijk een hogere beschikbaarheid van mGluR5 aan het celoppervlak bij PTSS gedetecteerd.

Bron: Bill Hathaway, Yale University

Hoe traumatische herinneringen verborgen blijven in de hersenen en hoe ze terug te vinden zijn

Door Marla Paul op 17 augustus 2015
3d Illustratie van een zenuwcel op een gekleurde achtergrond met lichteffecten

Een nieuwe studie heeft voor het eerst aangetoond dat de neurotransmitterroutes die stressvolle herinneringen met betrekking tot angst mogelijk maken, bewust ontoegankelijk worden.

Sommige stressvolle ervaringen - zoals chronisch misbruik van kinderen - zijn zo overweldigend en traumatisch dat de herinneringen zich verbergen als een schaduw in de hersenen.

In het begin kunnen verborgen herinneringen die niet bewust kunnen worden opgeroepen het individu beschermen tegen de emotionele pijn van het herinneren van de gebeurtenis. Maar uiteindelijk kunnen die onderdrukte herinneringen slopende psychische problemen veroorzaken, zoals angst, depressie, posttraumatische stressstoornis of dissociatieve stoornissen.

Een proces dat bekend staat als staat-afhankelijk leren wordt verondersteld bij te dragen aan de vorming van herinneringen die ontoegankelijk zijn voor het normale bewustzijn. Zodoende kunnen herinneringen die zijn gevormd in een bepaalde stemming, opwinding of door drugs geïnduceerde toestand het best worden teruggehaald wanneer de hersenen weer in die toestand zijn.

In een nieuwe studie met muizen hebben onderzoekers van het Northwestern Medicine voor het eerst het mechanisme ontdekt waarmee staatsafhankelijk leren stressgevoelige herinneringen bewust ontoegankelijk maakt.

"De bevindingen laten zien dat er meerdere routes zijn naar opslag van angstwekkende herinneringen en we hebben een belangrijke gevonden voor angstgerelateerde herinneringen," zei hoofdonderzoeker Jelena Radulovic, MD, PhD, Dunbar Professor in Bipolaire Ziekte in Psychiatrie en Gedragswetenschappen en farmacologie. "Dit zou uiteindelijk kunnen leiden tot nieuwe behandelingen voor patiënten met psychiatrische stoornissen voor wie bewuste toegang tot hun traumatische herinneringen nodig is als ze willen herstellen."

Het is voor therapeuten moeilijk om deze patiënten te helpen, zei Dr Radulovic, omdat de patiënten zelf zich hun traumatische ervaringen niet kunnen herinneren die de oorzaak zijn van hun symptomen.

De beste manier om toegang te krijgen tot de herinneringen in dit systeem is om de hersenen terug te brengen naar dezelfde bewustzijnsstaat als toen de herinnering werd gecodeerd, volgens de studie, die werd gepubliceerd in Nature Neuroscience.
De radiofrequenties van de hersenen veranderen

Twee aminozuren, glutamaat en GABA, zijn de yin en yang van de hersenen, sturen de emotionele getijden aan en controleren of zenuwcellen opgewonden of geremd zijn (kalm). Onder normale omstandigheden is het systeem gebalanceerd. Maar als we hyper-aroused en waakzaam zijn, glutamaatstoten. Glutamaat is ook de primaire chemische stof die herinneringen opslaat in onze neuronale netwerken op een manier die ze gemakkelijk te onthouden zijn.

GABA daarentegen kalmeert ons en helpt ons te slapen en blokkeert de actie van het prikkelbare glutamaat. Het meest gebruikte kalmerende medicijn, benzodiazepine, activeert GABA-receptoren in onze hersenen.

Een nieuwe studie heeft voor het eerst aangetoond dat de neurotransmitterroutes die stressvolle herinneringen met betrekking tot angst mogelijk maken, bewust ontoegankelijk worden.

 

Er zijn twee soorten GABA-receptoren. De ene soort, synaptische GABA-receptoren, werkt in combinatie met glutamaatreceptoren om de excitatie van de hersenen in evenwicht te brengen als reactie op externe gebeurtenissen zoals stress.

De andere populatie, extra-synaptische GABA-receptoren, zijn onafhankelijke agenten. Ze negeren het peppy glutamaat. In plaats daarvan is hun werk intern gericht, het aanpassen van hersengolven en mentale toestanden volgens de niveaus van interne chemicaliën, zoals GABA, geslachtshormonen en micro-RNA's. Extra-synaptische GABA-receptoren veranderen de toestand van de hersenen om ons opgewonden, slaperig, alert, verdoofd, dronken of zelfs psychotisch te maken. Noordwestelijke wetenschappers ontdekten echter nog een andere belangrijke rol; deze receptoren helpen ook om herinneringen aan een angstopwekkende gebeurtenis te coderen en vervolgens op te slaan, verborgen voor het bewustzijn.

"De hersenen functioneren in verschillende staten, net zoals een radio werkt op AM- en FM-frequentiebanden," zei Dr. Radulovic. "Het lijkt alsof het brein normaal op FM-stations is afgestemd om toegang te krijgen tot herinneringen, maar moet worden afgestemd op AM-stations om onbewuste herinneringen te openen. Als zich een traumatische gebeurtenis voordoet wanneer deze extra-synaptische GABA-receptoren worden geactiveerd, kan het geheugen van deze gebeurtenis niet worden geraadpleegd, tenzij deze receptoren opnieuw worden geactiveerd, waardoor de hersenen in wezen op de AM-stations worden afgestemd. "
Stressvolle herinneringen ophalen bij muizen

In het experiment injecteerden wetenschappers de hippocampus van muizen met gaboxadol, een medicijn dat extra-synaptische GABA-receptoren stimuleert. "Het is alsof we ze wat dronken maken, net genoeg om hun hersenstatus te veranderen," zei Dr. Radulovic.

Vervolgens werden de muizen in een doos gedaan en kregen ze een korte, milde elektrische schok. Toen de muizen de volgende dag in dezelfde doos werden teruggebracht, bewogen ze zich vrij rond en waren niet bang, wat aangeeft dat ze zich de eerdere schok in de ruimte niet herinnerden. Toen wetenschappers de muizen echter weer op het medicijn zetten en ze terug in de doos brachten, bevroor ze, angstig anticiperend op nog een schok.

"Dit bepaalt wanneer de muizen werden teruggebracht naar dezelfde hersentoestand als door het medicijn, ze herinnerden zich de stressvolle ervaring van de shock," zei Dr Radulovic.

Het experiment toonde aan wanneer de extra-synaptische GABA-receptoren met het medicijn werden geactiveer

 

Bron: M Northwesternmedicine

Studie onthult gebieden van de hersenen beïnvloed door PTSS

Onderzoekers van de Boston University School of Medicine (BUSM) en het VA Boston Healthcare System zijn een stap dichter bij het begrijpen van de specifieke aard van veranderingen in de hersenen die samenhangen met Posttraumatic Stress Disorder (PTSD).

De bevindingen, die verschijnen in het tijdschrift Biological Psychiatry: Cognitive Neuroscience and Neuroimaging, kunnen leiden tot een betere diagnose en behandeling van de aandoening.

PTSS is een psychiatrische stoornis die een traumatische gebeurtenis volgt en wordt gekenmerkt door flitsen (of opnieuw ervaren van trauma's), vermijden van gedachten / gevoelens geassocieerd met het trauma en hyperarousal of hypervigilantie. Al enige tijd is bekend dat personen die lijden aan PTSS abnormaliteiten in de structuur en functie van de hersenen hebben, maar meer recent is duidelijk geworden dat PTSS ook geassocieerd is met veranderingen in hoe hersengebieden met elkaar communiceren. In het bijzonder is PTSS in verband gebracht met verstoringen in de communicatie van een netwerk van hersengebieden die betrokken zijn bij intern gerichte vormen van mentale activiteit, zoals tijdens spontaan denken.

Geleid door bewijs dat dit netwerk kan worden onderverdeeld in verschillende delen met gespecialiseerde functies, hebben Danielle R. Miller, PhD en haar collega's de communicatie binnen dit netwerk van hersenregio's in meer detail bestudeerd.

Negenenzestig terugkerende oorlogsveteranen met PTSS en 44 veteranen met een voorgeschiedenis van trauma maar zonder PTSS ondergingen functionele Magnetic Resonance Imaging (fMRI) van de hersenen om hersenactiviteit te meten door de bloedstroom. De onderzoekers ontdekten dat verstoringen van het bovengenoemde netwerk bij veteranen met PTSS specifiek de communicatie tussen hersengebieden die betrokken zijn bij het geheugen beïnvloedden.

Bovendien vonden ze dat hoe minder deze hersengebieden met elkaar communiceerden, hoe meer personen met PTSD vermijdingsverschijnselen vertoonden, zoals het vermijden van traumagerelateerde gedachten of gevoelens, het vermijden van herinneringen aan het trauma, het vermijden van situaties waarin trauma's optreden, of een onvermogen om te denken, herinner me bepaalde aspecten van het trauma.

"Deze studie benadrukt dat verstoringen in de communicatie tussen hersengebieden die betrokken zijn bij geheugen mogelijk een belangrijk mechanisme zijn bij PTSS. Hoewel deze studie geen behandelingsstudie was, suggereert ons onderzoek dat behandelingen gericht op het verbeteren van deze communicatie PTSS-symptomen kunnen verbeteren," verklaarde Miller .

Miller is van mening dat elke stap in de richting van het identificeren van mechanismen die bijdragen aan PTSS belangrijk en cruciaal is voor verbeterde zorg voor mensen die aan de aandoening lijden.

Bron: Bosten University Medical Center

 

Werkingsmechanisme achter EMDR-therapie opgehelderd

Bron: GGZNieuws.nl

11 mei 2017 – Het maken van oogbewegingen onderdrukt een hersengebied dat herinneringen opslaat. Een therapie op basis van oogbewegingen (EMDR) kan helpen om stressvolle gebeurtenissen te vergeten. Dat concludeert onderzoeker Linda de Voogd van het Radboudumc. Zij promoveert 11 mei op haar onderzoek naar het herinneren en vergeten van stressvolle gebeurtenissen.

Stressvolle of emotionele gebeurtenissen onthouden we vaak veel beter dan alledaagse gebeurtenissen. Deze herinneringen zijn soms zo sterk dat ze zich tot een posttraumatische stressstoornis (PTSS) ontwikkelen. Eerder onderzoek toonde aan dat Eye Movement Desensitization and Reprocessing (EMDR)-therapie herinneringen aan stressvolle gebeurtenissen vermindert, maar het werkingsmechanisme bleef onduidelijk. Dat heeft De Voogd nu opgehelderd.

Hoe oogbewegingen stressvolle gebeurtenissen doen vergeten

Stressvolle gebeurtenissen beter onthouden
Eye Movement Desensitization and Reprocessing (EMDR)-therapie is een behandeling waarbij je simpele oogbewegingen maakt en tegelijkertijd de nare herinneringen oproept. Deze therapie wordt regelmatig toegepast bij mensen met PTSS. Om te achterhalen hoe traumatische herinneringen zich kunnen ontwikkelen, onderzocht De Voogd allereerst waarom stressvolle

gebeurtenissen beter onthouden worden dan neutrale gebeurtenissen. De Voogd: “Bij gezonde proefpersonen spelen veranderingen in het brein in de periode na een stressvolle gebeurtenis een grote rol bij het onthouden van de gebeurtenissen. In deze periode speelt het brein de herinneringen namelijk opnieuw af en zo worden ze beter opgeslagen.

”Vergeten door oogbewegingen"

Om in te grijpen in dit proces van opnieuw afspelen, bekeek De Voogd of het maken van oogbewegingen de herinnering kan verminderen. De Voogd vergeleek de hersenactiviteit tijdens het maken van oogbewegingen met de hersenactiviteit in rust. Ze ontdekte dat wanneer je oogbewegingen maakt, een specifiek hersengebied dat betrokken is bij het opslaan van herinneringen, de amygdala, onderdrukt wordt. “Het onderdrukken van dit gebied zorgt ervoor dat we de herinneringen die opgeroepen worden, vergeten. De oogbewegingen trekken je volledige aandacht, waardoor je geen aandacht meer kunt hebben voor de herinnering”, aldus de Voogd.

Opheldering
Bepaalde medicatie kan de amygdala ook onderdrukken, maar nu blijkt dat simpele oogbewegingen hetzelfde kunnen doen. De Voogd hoopt dat opheldering van het werkingsmechanisme achter EMDR-therapie leidt tot meer acceptatie. “Tot nu toe was bekend dat de therapie werkt, maar nog niet hoe. Nu het werkingsmechanisme bekend is, zal dit waarschijnlijk nieuwe mogelijkheden bieden om de therapie te verbeteren.”

Bron: radboudumc.nl

Journal of Neuroscience: cortisol nader beschouwd

30-09-2016 NIJMEGEN - Na een stressvolle gebeurtenis stijgt het cortisolniveau in het lichaam. Er werd altijd aangenomen dat dit hormoon bijdraagt aan de stressreactie. Nu blijkt uit een studie van hersenonderzoekers van de Radboud Universiteit Nijmegen dat cortisol de gevoeligheid voor stress juist onderdrukt. Bij stress wordt de amygdala, de emotionele alarmbel in de hersenen, extra actief en zorgt ervoor dat er allerlei stoffen vrijkomen die het lichaam in opperste staat van paraatheid brengen.

Cortisol is één van de stoffen die toeneemt tijdens zo'n reactie en wordt daarom altijd gebruikt als 'stressindicator'. Nu blijkt uit het onderzoek dat dit hormoon juist werkt om het lichaam en het brein weer tot rust te brengen na blootstelling aan stress. Heel belangrijk, want het lichaam houdt het niet vol om voortdurend zo alert te blijven. Als het herstel faalt, is er risico op PTSS en depressie.

Voor het onderzoek kregen 72 mannelijke proefpersonen ofwel een paar uur voor ze de fMRI-scanner in gingen cortisol toegediend, ofwel kort ervoor of ze kregen een placebo.
In de scanner kregen ze gezichten te zien waarvan de uitdrukking veranderde van neutraal naar bang of juist vrolijk. Hiervan is het bekend dat dit een emotionele reactie in het brein oproept. Ten opzichte van de placebogroep vertoonde de groep die kort tevoren cortisol kreeg een sterk verminderde reactie van de amygdala op beide emoties. De groep die langer van tevoren cortisol kreeg, liet een normale reactie zien op de negatieve emoties, maar nog steeds een verminderde reactie op de positieve emoties. Het lichaam herstelt dus als eerste de gevoeligheid voor 'gevaar'. Dat is vanuit overlevingsperspectief goed verklaarbaar: de amygdala kan dan weer reageren op een nieuwe dreiging.

De studie is gepubliceerd in het Journal of Neuroscience.

Tijd om de bio-bio-bio-model van de psychose te verlaten: Verkenning van de epigenetische en psychologische mechanismen die door mogelijk negatieve gebeurtenissen in het leven leiden tot psychotische symptomen

John Read, Richard P. Bentall and Roar Fosse

De geestelijke gezondheidszorg en onderzoek werden tientallen jaren gedomineerd door een nogal simplistische, reductionistische focus op biologische verschijnselen, met een minimale beschouwing van de  maatschappelijke context waarbinnen genen en hersenen onvermijdelijk werkzaam zijn. Dit  'medische model'  ideologie, enthousiast ondersteund door de farmaceutische industrie, is bijzonder krachtig geweest op het gebied van de psychosen, waar het heeft geleid tot een ongerechtvaardigde en schadelijke pessimisme over herstel. Het niet vinden van overtuigende bewijs van een genetische aanleg voor psychose in het algemeen of schizofrenie in het bijzonder, kan worden begrepen in termen van recent ontwikkelde kennis over hoe

epigenetische processen gentranscriptie aan en uitgeschakeld worden via mechanismen die sterk worden beïnvloed door individuele sociale-milieu-ervaringen. Om het opkomende bewijs van de relatie tussen ongewenste kinderjaren gebeurtenissen en daaropvolgende psychose te begrijpen is het noodzakelijk deze epigenetische te integreren, met name die waarbij de stress regelfuncties van de HPA-as, met onderzoek naar de psychologische mechanismen die door specifieke soorten jeugdtrauma kan leiden tot specifieke soorten psychotische ervaringen. De implicaties voor onderzoek, de geestelijke gezondheidszorg en de primaire preventie, zijn diepgaand.

Bron:  Epidemiology and Psychiatric Sciences

De gevolgen van psychotraumatische ervaringen: meer dan PTSS alleen?

Ruud A. Jongedijk Sleutelen aan een concept

Conclusies

Over PTSS als diagnostische categorie zal het laatste woord voorlopig nog niet zijn gezegd, ook niet na de totstandkoming van de DSM-V. Hoe moet een behandelaar in de praktijk nu verder? Het belangrijkste is te beseffen dat een DSM-diagnose geen echte diagnose is. Het is een indeling, een vaak arbitraire samenvoeging van symptomen, die nog niets zegt over de individuele cliënt. Voor een behandelindicatie is een DSM-classificatie onvoldoende. Voor de diagnostiek is het van belang een goede anamnese af te nemen, en bewust te zijn van de gevaren van het DSM-systeem (Jongedijk 001). In ieder geval is het van belang, om in de anamnese niet te snel toe te werken naar een DSM-classificatie. Meestal vindt de diagnostiek in de praktijk immers top down plaats. Anders gezegd, men ‘vindt’ enkele symptomen, of een trauma, en gaat van daaruit verder zoeken naar de andere symptomen, die nodig zijn om de diagnose te stellen. Symptomen die daar niet in passen, worden terzijde geschoven. Ook het gebruik van stoornis-specifieke diagnostische vragenlijsten is top down diagnostiek.

Zeker bij getraumatiseerde cliënten wordt al snel toegewerkt naar de diagnose PTSS, terwijl dit lang niet altijd het geval hoeft te zijn.Hier treedt een bias op, die een bijwerking is van het PTSS-concept (Rosen e.a. 2008) en in het algemeen van het DSM-systeem. De gevolgen van psychotraumatische ervaringen: meer dan PTSS alleen?

Kortom, bij top down diagnostiek wordt te snel toegewerkt naar een specifieke diagnose als PTSS waarbij vele symptomen over het hoofd worden gezien. Daarom dient, volgens goede diagnostische principes, de diagnostiek niet top down, maar bottom up plaats te vinden. Het goed uitvragen van alle klachten van een cliënt en pas daarna classificeren en diagnosticeren van alle mogelijke diagnostische mogelijkheden, doet het meeste recht aan de klachten van de cliënt (McHugh en Treisman 2007). Diagnostiek heeft implicaties voor het behandeltraject. En evidence based behandelen is zeer afhankelijk van - evidence based - diagnostiek, en die dient bottum up plaats te vinden. Dit artikel is een bewerking van een lezing, gehouden op het congres van de Nederlandstalige Vereniging voor Psychotrauma, 28 november 2007.

Psychose, trauma en traumagerelateerde psychopathologie

m. van gerven, o. van der hart, e.r.s. nijenhuis, t. kuipers 

conclusie

Bij systematisch klinisch of wetenschappelijk
onderzoek rapporteren veel psychotische patiënten trauma en traumagerelateerde psychopathologie. Alleen al omdat deze problematiek een ongunstige invloed kan hebben op het beloop van de psychose, is inventarisatie en behandeling hiervan evenzeer aangewezen bij psychosen als bij andere psychiatrische stoornissen. Aangetekend moet worden dat in het schaarse empirische onderzoek naar relaties tussen
psychose, trauma en traumagerelateerde psychopathologie, trauma niet eenduidig is gedefinieerd en dat mogelijke verbanden tussen psychose en emotionele verwaarlozing nog niet zijn bestudeerd. Bovendien is in dergelijk onderzoek onvoldoende gebruikgemaakt van gestructureerde trauma-interviews en is de validiteit van de gerapporteerde traumatische ervaringen niet vastgesteld. Evenmin is onderzocht wat de invloed is van de ernst, duur en leeftijd bij aanvang van deze ervaringen.

Prof. Onno van der Hart

Het doormaken van een psychose is dikwijls een zeer stresserende ervaring die aanleiding kan geven tot een posttraumatische stress-stoornis. Het valt dus te overwegen om ernstige aantasting van de psychische integriteit toe te voegen aan het stressorcriterium a van de ptss in de volgende versie van de dsm.Psychotische verschijnselen zijn dikwijls moeilijk te onderscheiden van posttraumatische stress-symptomen en dissociatieve symptomen, met als gevolg diagnostische verwarring en mogelijk inadequate behandeling. Afname van een gestructureerd interview om ptss en dissociatieve stoornissen op te sporen, lijkt echter een belangrijke bijdrage te kunnen leveren aan de differentiële diagnostiek. In verder onderzoek moet worden nagegaan in hoeverre een verschil te maken valt tussen positieve symptomen van een psychose en dissociatieve verschijnselen.
Er zijn aanwijzingen dat de overlap tussen psychotische en dissociatieve symptomen vooral sterk is bij patiënten die bij navraag kindermishandeling door verwanten rapporteren. Empirisch onderzoek moet uitwijzen of deze sterke verwevenheid van symptomen een aparte diagnostische categorie ‘reactieve dissociatieve psychose’ rechtvaardigt.

Trauma, psychose, PTSS en de toepassing van EMDR

 
  • D.P.G VAN DEN BERG
  • B.M. VAN DER VLEUGEL
  • A.B.P. STARING

Conclusies en advies voor behandeling

De interacties tussen trauma, psychose en PTSS zijn complex. Er is sprake van een grote onderlinge beïnvloeding, samenhang en overlap, waardoor deze soms moeilijk van elkaar te onderscheiden zijn. Het is duidelijk dat nare levenservaringen een belangrijke rol kunnen spelen in het ontstaan van psychosen. Door traumatische ervaringen die ten grondslag liggen aan het stemmen horen of aan negatieve conclusies over de eigen persoon (e.g. ‘ik ben kwetsbaar’) of over anderen (e.g. ‘anderen zijn niet te vertrouwen’) te behandelen, kan klachtenreductie worden bereikt. Een vervolg met reguliere CGT bij psychosen is vrijwel altijd noodzakelijk. Daarnaast heeft een aanzienlijk deel van de patiënten met psychosen last van posttraumatische-stressklachten. Wij adviseren deze patiënten te behandelen met op verwerking gerichte CGT of EMDR, zeker wanneer de patiënt hier zelf om vraagt. Bij het stellen van de diagnose PTSS doet zich een probleem voor: het A-criterium. Een voorwaarde voor de diagnose PTSS is dat de fysieke integriteit van de betrokkene werd bedreigd of dat hij dat van nabij bij een ander heeft gezien. Daarbij diende hij ook te worden overweldigd door gevoelens van angst, afschuw en hulpeloosheid. Kan er ook sprake zijn van een PTSS als die situatie niet werkelijk bedreigend was, maar alleen als zodanig werd ervaren? Wij menen van wel. Aangewezen psychotherapeutische behandelingen, CGT of EMDR.

Er zijn veel redenen waarom behandelaren niet naar traumata in de voorgeschiedenis van patiënten met psychosen vragen (zie voor een overzicht Read et al., 2007, p. 104). Een van de belangrijkste is het feit dat veel behandelaren, ten onrechte, vrezen voor de gevolgen van het bespreken van traumata. Daarnaast twijfelen veel behandelaren aan het waarheidsgehalte van de herinneringen van patiënten met psychosen. Maar hoewel vervormingen voorkomen, blijken patiënten met schizofrenie betrouwbaar te zijn in de traumata die zij rapporteren. Zij neigen zelfs eerder naar onder-dan overrapportage van traumata (Goodman et al., 1999; Meyer et al., 1996). En hoewel het bekend is dat patiënten niet snel geneigd zijn om uit zichzelf over traumata te beginnen, verwachten zij hier wel door hulpverleners naar gevraagd te worden. De meeste patiënten (en leken) zien traumatische levenservaringen namelijk als de voornaamste oorzaak van psychosen (Read, Rudegeair, & Farrelly, 2006). Het is alleen daarom al nuttig om in de behandeling over traumata te praten.

Wij hopen dat u zich na het lezen van dit artikel iets bewuster zult zijn van de grote rol die nare levenservaringen kunnen hebben in het leven van mensen met psychosen, dat u sneller aan een PTSS denkt bij patiënten met psychosen en dat u sneller de stap zult zetten naar de behandeling van dergelijke klachten met de door de richtlijn EMDR.

Een emotioneel veilige testmethode om trauma's mee te meten?

 

Het ontbreekt in de GGZ aan een veilige of niet verontrustende methode om te kijken of iemand herinneringen heeft aan trauma's. Velen zo blijkt uit onderzoeken uit met name de VS blijken geen actuele herinneringen meer te hebben in de volwassenheid. Ik heb een methode bedacht om toch op een niet verontrustende wijze te testen of iemand dergelijke herinneringen heeft. Het is bekend dat bij mensen met een uni-polaire stemmingsstoornis en bij PTSS men een responsbias vertoond voor respectievelijk depressieve en trauma gerelateerde woorden. Met andere woorden een responsbias voor woorden die relateren aan de problemen. De these die ik wil toetsen en waarop deze methode berust is:

Cliënten met trauma's die geen PTSS vertonen of weinig klachten hebben en waarvan door rapportage bekend is dat men getraumatiseerd is dat men dezelfde reponsbias vertoond bij traumagerelateerde woorden. 

De these is dus: ook cliënten zonder wezenlijke klachten vertonen dezelfde bias als bij cliënten met PTSS.

Wat nodig is voor het onderzoek is het ontwikkelen van een statistische lijst van woorden die duidelijk trauma gerelateerd zijn en woorden die dat niet zijn.

Vervolgens gaan we via een doubbleblind onderzoek - we noemen het een aandachtstest -  de twee groepen testen op hun responsen. Zowel de testafnemer en de cliënt weten niet wat de reden en opzet is van het onderzoek. Het is tegelijkertijd een anti-these voor het feit dat dat slechts mensen met PTSS een responsbias vertonen.

Ik zoek daarom een student psychologie die mijn idee voor het onderzoek ziet zitten en het verder wil ontwikkelen.  Hebben we ongeveer dezelfde resultaten dan betekend het twee dingen:

Ook mensen zonder PTSS vertonen de zelfde responsen

Het is gebleken een methode te zijn om te testen of  iemand belast is met  dergelijke herinneringen.

Tot slot moet getoetst worden in hoeverre men de methode belastend vond.

Chronische stress verandert de dendritische morfologie in de mediale prefrontale cortex van de rat.

Cook SC1, Wellman CL.

Abstract

Chronische stress produceert cognitieve stoornissen gepaard gaande met veranderingen in neurale chemie en morfologie. Mediane prefrontale cortex is een doelwit voor glucocorticoïden die betrokken zijn bij de stressrespons. We hebben eerder aangetoond dat 3 weken dagelijkse corticosteron-injecties resulteren in een dendritische reorganisatie in pyramidale neuronen in laag II-III van de mediale prefrontale cortex. Om te bepalen of soortgelijke morfologische veranderingen optreden als reactie op chronische stress, hebben we de effecten van dagelijkse beperkende stress op de dendritische morfologie in mediale prefrontale cortex beoordeeld. Mannelijke ratten werden dagelijks gedurende 3 weken blootgesteld aan 3 uur beperkende spanning of werden onbehandeld gelaten, behalve gedurende het wegen gedurende deze periode. Op de laatste dag

van beperking werden de dieren overdosis gegeven en de hersenen werden gekleurd met behulp van een Golgi-Cox-procedure. Piramidale neuronen in lamina II-III van mediale prefrontale cortex werden getrokken in drie dimensies en de morfologie van apicale en basaire priëlen werd gekwantificeerd. Sholl-analyses toonden een significante verandering van apicale dendrieten bij gestreste dieren: in het algemeen namen het aantal en de lengte van apicale dendritische vertakkingen af ​​met respectievelijk 18 en 32%. De verlaging van de apicale dendritische prieel was beperkt tot distale en hogere orde vertakkingen en kan een afspiegeling zijn van de atrofie van terminale vertakkingen: het aantal en de lengte van de terminale tak werden met 19 en 35% verminderd. Aan de andere kant werden basale dendrieten niet beïnvloed. Dit patroon van dendritische reorganisatie is vergelijkbaar met dat na dagelijkse corticosteron-injecties. Deze reorganisatie weerspiegelt waarschijnlijk functionele veranderingen in de prefrontale cortex en kan bijdragen aan stress-geïnduceerde veranderingen in de cognitie.

Nieuwe psychiatrische stoornis vaak ten onrechte gezien als schizofrenie

Datum bericht: 17 september 2013

Onderzoekers van het UMC St Radboud, het AMC en GGZ-organisatie Pro Persona lijken een nieuwe psychiatrische stoornis te hebben ontdekt: posttraumatische stressstoornis (PTSS) met secundaire psychotische kenmerken. Patiënten met deze ernstige stoornis krijgen vaak ten onrechte de diagnose schizofrenie, waardoor zij niet de juiste behandeling krijgen. Psychotische PTSS heeft andere kenmerken en dient anders te worden behandeld dan schizofrenie, stelt Mario Braakman in zijn proefschrift waarop hij op 18 september  promoveert.

Eén op de honderd mensen loopt rond met de diagnose schizofrenie. Dit aantal verschilt nauwelijks per land en is opmerkelijk genoeg al jaren stabiel. In deze groep patiënten zit een behoorlijk aantal mensen met een posttraumatische stressstoornis (PTSS) met secundaire psychotische kenmerken in plaats van schizofrenie, stellen bovengenoemde onderzoekers. Maar deze diagnose wordt vaak gemist door artsen en psychiaters, omdat zij de symptomen ten onrechte beoordelen als schizofrenie. Om hoeveel patiënten het gaat is nog onduidelijk, maar schattingen gaan richting tien procent.

Nieuwe psychiatrische stoornis
Ook in Nederland krijgen nogal wat patiënten de diagnose PTSS, terwijl onvoldoende is gekeken of er sprake is van secundaire psychotische kenmerken, zoals wanen en hallucinaties. Een posttraumatische stressstoornis met secundaire psychotische kenmerken is een ernstig ziektebeeld met andere symptomen dan ‘gewone' PTSS of schizofrenie en dient daarom anders te worden behandeld, stelt psychiater Mario Braakman, promovendus bij de afdeling psychiatrie van het UMC St Radboud en hoofopleider psychiatrie bij Pro Persona in Wolfheze. 'Daarom is het belangrijk deze nieuwe psychiatrische stoornis te onderkennen.'

Vluchtelingen en asielzoekers
Braakman voerde zijn promotieonderzoek voor een belangrijk deel uit bij Phoenix, een gespecialiseerde psychiatrische kliniek van Pro Persona in Wolfheze. 'Vanuit het hele land stuurden psychiaters patiënten naar ons toe bij wie ze er vaak niet uit kwamen, voornamelijk getraumatiseerde vluchtelingen en asielzoekers. Wij zijn de enige kliniek in Nederland die hele complexe psychiatrische stoornissen behandelt. Centrum '45 doet dat ook voor complexe psychotraumaklachten, maar enkel bij mensen met PTSS. De psychotische patiënten komen dus allemaal bij ons terecht.'

Wanen en hallucinaties
De onderzochte vluchtelingen en asielzoekers hadden eerst een posttraumatische stressstoornis ontwikkeld en kregen daarna, vroeg of laat, psychotische symptomen - vandaar de aanduiding PTSS met secundaire psychotische kenmerken.

Hun wanen en hallucinaties bleken zeer slecht te behandelen met antipsychotische medicatie. Geen van beide bleek het geval. Psychotische PTSS, zoals hij het ziektebeeld afkort, is een nieuwe psychiatrische diagnose die vraagt om een specifieke behandeling. Psychotische PTSS is een complex en ernstig ziektebeeld. Wat de juiste behandeling ervoor is, moet nog beter worden onderzocht, maar Braakman verwacht veel van gedragstherapieën als EMDR (Eye Movement Desensitization and Reprocessing), een interventietechniek die vaak wordt ingezet bij mensen met een posttraumatische stressstoornis. In de VS werden positieve resultaten behaald met exposure-therapieën, waarbij mensen worden blootgesteld aan de traumatische ervaring.

Atoombom in Tokyo
Het is vooral belangrijk dat artsen en psychiaters de symptomen van psychotische PTSS herkennen en de juiste diagnose stellen. Volgens Braakman is het onderscheid tussen schizofrenie en psychotische PTSS betrekkelijk eenvoudig te maken. Er zijn drie belangrijke verschillen. Zo zijn wanen en hallucinaties bij psychotische PTSS zelden bizar van inhoud, zoals bij schizofrenie. 'Een schizofrene patiënt kan bijvoorbeeld denken dat mensen door een muur kunnen lopen, of dat er een atoombom in Tokyo ontploft als hij aan z'n pink trekt. Bij psychotische PTSS hebben wanen altijd een relatie met de traumatische ervaring. Iemand die bijvoorbeeld is gemarteld door de KGB, ziet KGB'ers achter bomen staan.'

Onsamenhangend
Verder hebben patiënten met schizofrenie of met psychotische PTSS meestal nog meer bijkomende psychiatrische stoornissen, maar bij psychotische PTSS zijn dat er drie keer zo veel als bij schizofrenie. Ook zie je bij psychotische PTSS zelden formele denkstoornissen, zoals bij schizofrenie. 'Schizofrene patiënten praten vaker onsamenhangend zonder enige vorm van logica. Dat zie je niet bij psychotische PTSS. Deze drie variabelen kunnen in negentig procent van de gevallen correct voorspellen in welke groep een patiënt valt.'

Hoeveel patiënten met psychotische PTSS ten onrechte de diagnose schizofrenie krijgen, is in Nederland nog nooit goed onderzocht, constateert Braakman. 'Schattingen in de VS laten zien dat van de ‘schizofrene' patiënten tussen de tien en vijftig procent ook een posttraumatische stressstoornis heeft, die zelden wordt onderkend. Een aantal van deze patiënten zal geen schizofrenie maar psychotische PTSS hebben, maar hoeveel dat er zijn is ook onbekend. Het wordt tijd dat dit wordt onderzocht.' Braakman en zijn collega's hadden graag gezien dat de diagnose PTSS met secundaire psychotische kenmerken was opgenomen in de DSM-V, het handboek voor psychische en psychiatrische stoornissen. Ze dienden daarvoor ook een voorstel in. 'Helaas hebben we daar nooit meer iets op gehoord.'/persbericht UMC St Radboud

 

Feitelijk of kunstmatig? Een psycho-biologische studie van authentieke en gesimuleerde dissociatieve identiteitstoestanden.

Reinders AA1, Willemsen AT, Vos HP, de Boer JA, Nijenhuis ER.

ACHTERGROND:


Dissociatieve identiteitsstoornis (DID) is een betwiste psychiatrische stoornis. Onderzoeksresultaten en klinische observaties suggereren dat DID een authentieke mentale stoornis omvat die verband houdt met factoren zoals traumatisatie en verstoorde hechting. Een concurrerende weergave geeft aan dat DID het gevolg is van fantasiegebondenheid, suggestibiliteit, suggestie en rollenspel. Hieronder worden nagegaan of dissociatieve identiteitstoestand-afhankelijke psychobiologische kenmerken in DID kunnen worden geïnduceerd bij hoog- of laag-fantasie-gevoelige individuen door geïnformeerde en gemotiveerde rollenspel en suggestie.

METHODOLOGIE / PRINCIPE BINDINGEN:
DID patiënten, hoge fantasie gevoelige en lage fantasie gevoelige controles werden onderzocht in twee verschillende soorten identiteitstoestanden (neutraal en trauma gerelateerd) in een autobiografisch geheugen scriptgedreven (neutraal of trauma-gerelateerd) beeldspraak paradigma. De controles werden aangeleerd om de twee DID identiteitstoestanden in te voeren.

Zevenentwintig proefpersonen hebben deelgenomen aan de studie: 11 patiënten met DID, 10 hoge fantasie-gevoelige DID-simulatiecontroles en 8 low-fantasy gevoelige DID-simulerende controles. Autonome en subjectieve reacties werden verkregen. Verschillen in psychofysiologische en neurale activatie patronen werden gevonden tussen de DID patiënten en zowel hoge als lage fantasie gevoelige controles. Dat wil zeggen, de identiteitsstaten in DID werden niet overtuigend aangenomen door DID te simuleren controles. Zo werden belangrijke verschillen met betrekking tot regionale cerebrale bloedstroom en psychofysiologische reacties voor verschillende typen identiteitstoestanden bij patiënten met DID gehandhaafd na controle voor DID-simulatie.

Conclusies / BELANG:

De bevindingen zijn in strijd met het idee dat verschillen tussen verschillende soorten dissociatieve identiteitstoestanden in DIS kunnen worden verklaard door hoge fantasie-neiging gemotiveerde rolverklaring en suggestie. Zij wijzen erop dat DID geen socioculturele (bijvoorbeeld iatrogene) oorsprong heeft.

bron: PubMed

Interindividuele variabiliteit in stressgevoeligheid: een rol voor epigenetische mechanismen bij PTSS

Posttraumatische stressstoornis (PTSS) is een psychiatrische aandoening die wordt gekenmerkt door opdringerige en aanhoudende herinneringen aan een psychologisch traumatische gebeurtenis die bij aangetaste personen tot significante functionele en sociale beperkingen leidt. De moleculaire basen die ten grondslag liggen aan de persistente uitkomsten van een voorbijgaande traumatische gebeurtenis bleven gedurende vele jaren ongrijpbaar, maar recente studies bij knaagdieren hebben epigenetische modificaties van de chromatine-structuur en DNA-methylatie geïmpliceerd als fundamentele mechanismen voor de inductie en stabilisatie van angstgeheugen. Naast mediërende aanpassingen aan traumatische gebeurtenissen die uiteindelijk PTSS veroorzaken, zijn epigenetische mechanismen ook betrokken bij het vaststellen van individuele verschillen in PTSS-risico en veerkracht door langdurige effecten van genen

en vroege omgeving op de functie en het gedrag van volwassenen te bemiddelen. In deze review bespreken we het huidige bewijs voor epigenetische regulatie van PTSS in studies bij mensen en in diermodellen en geven we commentaar op manieren waarop deze modellen kunnen worden uitgebreid. Daarnaast identificeren we belangrijke openstaande vragen in de studie van epigenetische mechanismen van PTSS in de context van snel evoluerende technologieën die voortdurend ons begrip van epigenetische modificaties en hun functionele rollen bijstellen en aanpassen. Ten slotte bespreken we de mogelijke toepassing van epigenetische benaderingen bij het identificeren van markers van risico en veerkracht die kunnen worden gebruikt om vroege interventie te bevorderen en therapeutische strategieën te ontwikkelen om PTSS na het begin van de symptomen te bestrijden.

Bron: Front Psychiatry

Gene expression en methylatie kemerken van MAN2C1 zijn geassocieerd met PTSS

Auteurs: Uddin, Monica | Galea, Sandro | Chang, Shun-Chiao | Aiello, Allison E. | Wildman, Derek E. | de los Santos, Regina | Koenen

Affiliaties: Afdeling Epidemiologie, Universiteit van Michigan School van Volksgezondheid, Ann Arbor, MI, Verenigde Staten | Afdeling Epidemiologie, Mailman School of Public Health, Columbia University, NY, USA | Departementen van de maatschappij, de menselijke ontwikkeling en de gezondheid en de epidemiologie, Harvard School of Public Health, Boston, MA, USA en het centrum voor het ontwikkelende kind, Harvard University, Cambridge, MA, USA | Centrum voor Moleculaire Geneeskunde en Genetica, Wayne State University School of Medicine, Detroit, MI, USA


Abstract: Als potentiële regulators van de toegankelijkheid en activiteit van DNA, bieden epigenetische modificaties een mechanisme waarmee de omgeving de effecten van genen kan bepalen. Tot op heden zijn er echter relatief weinig studies geweest die epigenetische veranderingen in verband met posttraumatische stressstoornis (PTSS) beoordelen. Hieronder onderzoeken we PTSS-geassocieerde methyleringsverschillen in 33 genen die eerder verschillend bleken van bloedmonsters afkomstige genetische expressie tussen zij met en zonder PTSS.

Op DNA-monsters die op dezelfde wijze verkregen werden uit volledig bloed van 100 individuen, 23 met en 77 zonder PTSS-levensduur, gebruikten we methylatie microarray data om te beoordelen of deze 33 kandidaatgenen epigenetische handtekeningen vertoonden die het risico op of veerkracht van PTSS vertoonden. Logistieke regressieanalyses werden uitgevoerd om de belangrijkste en interactie effecten van de methyleringswaarden van kandidaatgenen en aantal potentiële traumatische gebeurtenissen (PTE's) te beoordelen, voor leeftijd en andere covariaten aan te passen. Uit de resultaten blijkt dat slechts één kandidaat gen - MAN2C1} een significante methylering x PTE interactie heeft aangetoond, zodat degenen met zowel hogere MAN2C1 methylering als een grotere blootstelling aan PTE's een duidelijke toename van het risico op levensduur PTSS (OF 4,35, 95% CI: 1,07 , 17,77, p = 0,04). Deze resultaten geven aan dat MAN2C1 methyleringsniveaus de cumulatieve traumatische last aanpassen aan het risico op PTSS en suggereren dat zowel genuitdrukking als epigenetische veranderingen op specifieke loci bij deze aandoening zijn geassocieerd

De relevantie van epigenetica voor PTSD: Implicaties voor de DSM-V

Dit werk werd ondersteund door een VA Merit Review Grant (RY), door een NIMH Innovatie Award RO1 Genetics, Endocrinology en PTSD Risk in the Population (RY), en financiering van het ministerie van Defensie (RY). De auteurs bedanken dr. Janine Flory voor het lezen en commentaar geven op dit manuscript.

Epigenetische modificaties, zoals DNA-methylering, kunnen optreden in reactie op milieu-invloeden om de functionele expressie van genen op een blijvende en potentieel intergenerationele overdraagbare manier te veranderen. Als zodanig kunnen zij interindividuele variatie verklaren, evenals de langdurige effecten van traumablootstelling.

Hoewel er momenteel geen bevindingen zijn die epigenetische wijzigingen voorstellen die specifiek zijn voor posttraumatisch stressstoornis (PTSD) of PTSD-risico, zijn veel recente waarnemingen compatibel met epigenetische verklaringen. Dit zijn onder andere recente bevindingen van stressgerelateerde genuitdrukkingen, in bijdragen van de baarmoeder van zuigelingenbiologie, de associatie van PTSD-risico bij moeder met PTSD en de relevantie van kindertijd in de ontwikkeling van PTSD. De relevantie van epigenetische mechanismen voor formuleringen van PTSD voor de vijfde editie van het Diagnostische en Statistische Handboek van Geestelijke Stoornissen (DSM-V) wordt beschreven

DNA methylering regelt beloning associatief leren

Beloning-gerelateerde herinneringen zijn essentieel voor adaptief gedrag en evolutionaire fitness, maar ze zijn ook een kerncomponent van maladaptieve hersensiektes zoals verslaving. Beloning leren vereist dopamine neuronen in het ventrale tegmentale gebied (VTA), die de relaties tussen predictieve signalen en toekomstige beloningen coderen. Recente bewijzen wijzen erop dat epigenetische mechanismen, inclusief DNA-methylering, essentiële regulatoren zijn van neuronale plasticiteit en ervaringsgedreven gedragsverandering. Echter, de rol van epigenetische mechanismen in het belonen van leren is slecht begrepen. Hier laten wij zien dat de vorming van beloningsgerelateerde associatieve herinneringen bij ratten upreguleert belangrijke plasticiteitgenen in de VTA, die gecorreleerd zijn met geheugensterkte en geassocieerd zijn met genspecifieke veranderingen in DNA-methylering.

Bovendien is DNA-methylering in de VTA nodig voor de vorming van stimulus-beloning associaties. Deze resultaten geven het eerste bewijs dat deze activiteit-afhankelijke methylering en demethylering van DNA een essentieel substraat is voor de gedrags- en neuronale plasticiteit die door beloningsgerelateerde ervaringen wordt aangedreven.

Bovenstaande beschouwend vermoed ik dat dendrietvorming bij geheugennetwerken net zo werkt, m.a.w. dat mythylering van het DNA, RNA aanmaakt die zorgt voor dendrietontwikkeling en dus het vormen van een nieuwe of aangepaste herinnering. Het is zaak dus om te kijken hoe medicijnen kunnen bijdragen aan therapie bij verwerking bij trauma's. Hoe kunnen we de epigenetische tags - methylering - zo aanpassen dat er meer sprake is van verwerking en versterking van weerbaarheid.